De doop is voor ieder die "een gebed van een goed geweten tot God" verlangt uit te spreken en God daarvoor de eer wil brengen. Het kan ook anders gezegd worden. De doop is voor ieder die, zoals Mattheüs 28:19 al aangaf, "discipel" wil zijn en wil "leren onderhouden" wat Jezus heeft gezegd. De dopeling belijdt dat de Here Jezus zijn Verlosser is, en dat hij, geheel bewust van zijn eigen onvermogen, Jezus' geboden wil doen.
De doop is geen bewijs van geestelijke status of diepgang. Je hoeft ook niet eerst bewezen te hebben dat je een goed christen bent.
De kamerling uit Morenland (Handelingen 8: 26-40) snapte waarschijnlijk slechts enige minuten wie Jezus was, maar zeide: 'Zie, daar is water; wat is ertegen, dat ik gedoopt word? En Hij zeide: indien gij van ganser harte gelooft, is het geoorloofd. En hij antwoordde ik geloof, dat Jezus Christus de Zoon van God is.
De dopeling leeft dagelijks van Gods genade en vergeving. Wij hebben de genade, en daarmee ook het verbond van God, niet voor het uitdelen. Genade is niet ons bezit, of ons recht. Daarom worden alleen zij gedoopt die dat zelf te kennen geven. Een ander kan dat niet voor de dopeling beslissen zonder daarmee het genadekarakter van de doop aan te tasten. Wij kiezen geen mensen uit om te dopen, God kiest Zelf, en Zijn keuze blijkt als men van Zijn liefde en genade gaat spreken, en daarin blijft volharden.